Archief

Zwanenjacht II

Nee, ik kon het niet uitstaan dat de Zuiderzee onze broodheer niet meer mocht wezen. Het heeft me veel gekost om het stropen te laten. Maar ja, tenslotte went een mens zelfs aan de wet.

Nu kan het me niets meer schelen. Ik ben er ook te oud voor geworden. Maar in die tijd! Zeg zelf, als je tussen het Rode klif en Laaxum bij de zeewal langsloopt en daar komen drie zwanen naar je toe, dan kun je die toch niet zomaar laten gaan!

Ze vlogen zo netjes in de rij, boven de palen die er toen nog stonden, alsof ze zich zelf aanboden. Ik kon het weer niet laten en ging op de glooiing achter de zeewering zitten, stijf tegen de palen aangedrukt. Dat moest wel, want er stond daar geen riet of ander ruiggroei en ze mochten me niet zien.

Ik schoot ze alle drie. Maar hoe moest ik deze thuis krijgen, daar er geen plaats was om ze te verstoppen. Ik had altijd wel een stuk touw in m´n zak en dat kwam nu mooi van pas.

Met het touw bond ik de vogels onder de manchester schipperskiel, die ik droeg, om mijn lichaam vast. Bij m´n huis gekomen, zag ik mijn vrouw met een buurvrouw staan praten. Ik dacht, ze vragen me vast en zeker, of ik in positie ben maar ze zagen me niet eens. Zo verdiept waren ze in het uitwisselen van nieuwtjes. Zo zijn vrouwen.

Deze geschiedenis heeft nog een staartje gehad. Toen ik jager met akte was geworden, kwam de politie wel eens bij me om z´n boekje te laten tekenen. Dat was een manier om aan zijn meerderen te laten zien waar hij allemaal was geweest. Nu ook weer. Hij zat bij me in de kamer, terwijl ik mijn handtekening zette.

Toen vroeg hij: “Heb je ook iets bemerkt van mensen die op zwanen jagen?” Ik antwoordde: “Daarvoor moet je bij mij niet wezen, je weet wel dat ik jager met akte ben geworden.” Hij zei: “Zie je, ik vond daarnet aan de dijk een zwanenvleugel.” “Ja”, zei ik, “aan een zwanenvleugel heeft een zwaan vastgezeten.”

Verder ging het gesprek niet. Toch vond ik het een komische gedachte, dat de zwanen waar hij iets over wilde weten, vlak boven zijn hoofd aan de hanebalken hingen. Alleen een zoldering er tussen. Gelukkig liep hij niet even de ladder in het achterhuis op, om daar een kijkje te nemen.

Het volgende voorjaar zat hij weer eens bij me en kon ik het niet laten er over te vertellen. “Weet je nog wel, dat je naar die zwanen vroeg?” Natuurlijk wist hij het nog, hij had de daders nooit kunnen vinden. “Wel, de dieren hingen vlak boven je hoofd!” Ik wees naar de zolder. Hij reageerde met een duur vloekwoord, dat ik maar niet zal herhalen. Gelukkig kon hij wel iets begrijpen van mijn problematiek.