Archief

Kwajongens

“Ik was de opzichter van de Mokkebank. Eens stond ik op het punt te vertrekken, toen ik een pet boven het riet uit zag komen. Ik ging kijken, maar er was niets.

Ik riep: “Kom maar te voorschijn. Ik vind jullie toch wel.” Toen viel mijn oog plotseling op vijf stukgeslagen zwaneneieren. Vijf dode kuikens, de “plom al op de bealich” (het dons al aan het lijf) lagen ernaast. Ik werd wel zo kwaad, maar hoe ik dreigde, hoe lang ik ook wachtte, de vandalen verschenen niet.

Toen heb ik de banden van hun fietsen, die ik wel ontdekte, leeg laten lopen en ben naar de dichtsbije boer met telefoon gelopen om de politie van Bakhuizen op te bellen. Uren later, daar kwamen ze aan, de fietsen aan de hand, schooljongens uit Bakhuizen.

Ze waren zo brutaal mij te vragen of ik ook wist wie hun banden leeg had laten lopen. Ik vroeg: “Weten jullie misschien ook wie de zwaneneieren hebben kapot gemaakt en de kuikens gedood?”

Toen de politie hen ondervroeg, ontkenden ze eerst, maar ze vielen later door de mand. Er werden hun veel straffen in het vooruitzicht gesteld, maar ze kwamen er per slot van rekening met een sissertje af. Niet eens een fikse schrobbering hebben ze gehad.

Ik kreeg een bedankje dat ik zo goed had opgelet, maar dat konden ze om mij ook wel houden. In zo´n geval had ik beter onbezoldigd kunnen wezen.”